Hoe weet je dat je beter wordt?

Deel 1 – Het probleem met voelen, denken en focus

Beter worden klinkt eenvoudig.

Je hebt een klacht.
De klacht verdwijnt.
En dan ben je beter.

Dat is hoe we denken dat herstel werkt.

Lineair.
Logisch.
Meetbaar.

Maar zo werkt het lichaam niet.
En zo werkt de mens al helemaal niet.


Een mens is namelijk slecht in het herkennen van herstel.

Niet omdat hij dom is.
Maar omdat hij mens is.

Je hebt bijvoorbeeld drie klachten.

Vermoeidheid.
Pijn.
Spanning.

Na verloop van tijd verdwijnt de pijn grotendeels.

Dat is objectief herstel.

Maar je voelt nog vermoeidheid.
En nog spanning.

Dus je aandacht verschuift.

Niet naar wat verbeterd is.
Maar naar wat er nog is.

En dan voelt het alsof er niets veranderd is.


Ons brein is niet bezig om verbetering te registreren.

Het brein is gefocust om gevaar te detecteren.

Wat opgelost is, wordt als veilig beschouwd.
Wat nog aanwezig is, krijgt prioriteit.

Dat is geen fout.

Dat is overleving.

Maar het vertekent je beeld van herstel.


Stel:

Je had dagelijks pijn, niveau 8 op 10. (En dat is in weze subjectief want dat cijfer hangt ook af van tolerantie en die kan verschillend zijn want dat hangt ook af van de situatie of factoren.. toch)
Nu is het niveau 3.

Dat is enorme vooruitgang.

Er gebeurd veel want je zenuwstelsel word / is rustiger.
Je weefsels functioneren beter.
Je systeem is aan het herstellen.

Maar je voelt nog steeds “3”.

Dus je denkt:

“Ik ben nog niet beter.” Het is er nog

Technisch klopt dat.
Maar biologisch gebeurt er al heel veel.


Dan komt de omgeving. Die denkt ook wat

“Moe? Dan / dat is het nog niet goed.”
“Heb je nog klachten? Dan is het er nog.”
“Misschien heb je toch meer nodig.”
“Misschien moet je dit proberen.”
“Misschien moet je dat nemen.”

Goed bedoeld.

Maar het effect is subtiel.

Je aandacht verschuift verder weg van herstel
en verder richting wat nog niet perfect is.


En aandacht is niet neutraal.

Aandacht versterkt signaalverwerking in het brein.

Waar je op focust, wordt neurologisch relevanter.

Dat is geen psychologie.
Dat is neurobiologie.

Neuronen die vaker vuren, worden gevoeliger.

Dus hoe meer je zoekt naar klachten,
hoe beter je ze zult vinden.

Zelfs terwijl je herstelt.


Dan is er nog iets.

De dokter zegt bijvoorbeeld:

“Het ziet er beter uit.”

Je bloedwaarden verbeteren.
Je scans verbeteren.
Je markers verbeteren.

Objectief herstel. Er is een waarde veranderd

Maar jij voelt nog spanning.

Dus ontstaat twijfel.

“Ja, maar ik voel het nog.”

En dat klopt.

Want gevoel loopt vaak achter op herstel.

Het lichaam verandert eerst.
Het zenuwstelsel past zich daarna aan.
Het brein vertrouwt het als laatste.


Herstel is geen schakelaar.

Het is een proces.

Cellen herstellen.
Systemen stabiliseren.
Signalen worden rustiger.
Het brein leert opnieuw veiligheid herkennen.

Dat kost tijd.

Niet omdat het lichaam langzaam is.

Maar omdat stabiliteit moet worden opgebouwd.


Het paradoxale is dit:

Je kunt al beter worden
zonder dat je jezelf als “beter” ervaart.

Omdat je referentiepunt verschoven is.

Wat ooit een verbetering zou zijn geweest,
voelt nu als “nog niet goed genoeg”.

Dat is geen falen.

Dat is aanpassing.


Misschien is de eerste echte vraag dus niet:

“Is mijn klacht volledig weg?”

Maar:

“Is er minder verstoring dan voorheen?”

Want herstel begint zelden met perfectie of niets meer

Het begint met minder ruis, minder

Minder intensiteit.
Minder frequentie.
Meer ruimte tussen klachten.

Dat zijn de eerste tekenen.

Ook als je ze nog niet vertrouwt.


In het volgende deel:

Waarom het zenuwstelsel vaak langer ‘denkt’ dat je nog ziek bent — zelfs wanneer je lichaam al herstelt.

En waarom dat volkomen logisch is.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *