VERKNIPT.

Hoe we het lichaam in stukjes knipten — en vervolgens verbaasd waren dat we het geheel niet meer zagen

Een hart is geen hart.
Een brein is geen brein.
Een darm is geen darm.

Tenminste… niet als je kijkt naar hoe een levend lichaam werkelijk functioneert.

We hebben er prachtige vakgebieden van gemaakt. Cardiologie. Neurologie. Endocrinologie. Immunologie. Psychologie. Fysiologie.

Handig. Heel handig zelfs.

Maar ergens onderweg is er iets merkwaardigs gebeurd.

We zijn de olifant gaan bestuderen door hem in stukjes te verdelen.

De één kreeg de poot.
De ander de slurf.
Een derde de staart.

En daarna ontstond de discussie over welk lichaamsdeel nou eigenlijk de olifant was. En soms of het wel een olifant is als je een deel niet goed ziet

Verknipt.


Het lichaam kreeg afdelingen

Stel je voor dat je een bedrijf hebt.

De boekhouding kijkt alleen naar de cijfers.
De technische dienst alleen naar de machines.
HR alleen naar de mensen.
De directie alleen naar de strategie.

Allemaal kunnen ze uitstekende informatie hebben.

Maar als de boekhouding zegt:

“De machineafdeling bestaat niet, want ik zie alleen cijfers.”

…dan heb je geen wetenschappelijk probleem.

Dan heb je een kijkprobleem.

Het lichaam werkt ondertussen gewoon door.

Een gedachte kan je hartslag veranderen.

Stress kan je spierspanning veranderen.

Spanning kan je ademhaling veranderen.

Ademhaling beïnvloedt weer je zenuwstelsel.

Het zenuwstelsel beïnvloedt hormonen.

Hormonen beïnvloeden stofwisseling.

Stofwisseling beïnvloedt energie.

En die veranderingen werken weer terug.

Het lichaam kent onze vakgebieden niet.

Het kent alleen zichzelf.


Alles beweegt

Kijk naar de natuurkunde en je komt voortdurend begrippen tegen als trilling, oscillatie, frequentie, fase en resonantie.

Een snaar trilt.

Een geluid is een trilling.

Elektromagnetische straling heeft frequenties.

Elektrische systemen oscilleren.

Moleculen hebben karakteristieke bewegingspatronen.

Het hart heeft een ritme.

De hersenen vertonen elektrische oscillaties.

Het zenuwstelsel communiceert elektrisch en chemisch.

Het lichaam is geen stilstaand bouwwerk.

Het is een continu bewegend systeem.

En zodra iets beweegt, verandert er informatie.

Een patroon kan stabiel zijn.

Een patroon kan veranderen.

Een ritme kan versnellen.

Een systeem kan uit evenwicht raken.

Een ander systeem kan daarop reageren.

Dat is geen mysterieuze gedachte.

Dat is hoe dynamische systemen zich gedragen.


En dan komt stress

Stress is misschien wel het mooiste voorbeeld.

Je hoeft iemand niet open te maken om te zien dat stress iets met die persoon doet.

Iemand is gespannen.

De ademhaling verandert.

De hartslag verandert.

De spierspanning verandert.

De aandacht verandert.

De huid verandert.

De slaap verandert.

De spijsvertering verandert.

De manier waarop iemand reageert verandert.

Stress is geen onderdeel.

Stress is een toestand van het systeem.

En juist daarom is het interessant om stress niet uitsluitend als een psychologisch verschijnsel te bekijken.

Je kunt stress namelijk op verschillende manieren benaderen.

Via een gesprek.

Via ademhaling.

Via hartslag.

Via beweging.

Via ontspanning.

Via biofeedback.

Of via signalen die iets vertellen over de toestand waarin iemand zich bevindt.


En daar komt SCIO om de hoek kijken

SCIO Biofeedback is interessant omdat het niet probeert te doen alsof één onderdeel van het lichaam de waarheid vertelt.

Het uitgangspunt van biofeedback is eigenlijk verrassend eenvoudig:

Geef informatie terug over wat er in het systeem gebeurt en kijk wat er met het systeem gebeurt wanneer je daarop reageert.

Dat is geen magie.

En het hoeft ook geen claim te zijn dat een apparaat “weet” welke ziekte iemand heeft.

Bij stress is het principe veel eenvoudiger.

Je systeem reageert.

Er zijn signalen.

Die signalen veranderen.

De software verwerkt die informatie.

En vervolgens wordt er een vorm van feedback aangeboden.

Daarmee ontstaat een terugkoppeling.

En terugkoppeling is geen vreemd begrip.

Het zit overal.

In elektronica.

In techniek.

In fysiologie.

In regelkringen.

In automatische systemen.

En ook in het menselijk lichaam.


De thermostaat geneest de verwarming niet

Een thermostaat repareert je cv-ketel niet.

Maar hij kan wel informatie geven:

te koud → verwarmen

op temperatuur → stoppen

Hij beïnvloedt daarmee het systeem via terugkoppeling.

Niemand vindt dat vreemd.

Bij biofeedback gebeurt iets vergelijkbaars, maar dan met een veel ingewikkelder systeem:

de mens.

En een mens is natuurlijk geen thermostaat.

Een mens heeft geen simpele knop waarop staat:

“Stress: UIT.”

Maar het principe van feedback en respons is daarom niet ineens verdwenen.


Niemand geneest jou

En misschien is dit wel het belangrijkste uitgangspunt.

Niemand geneest een ander.

Niet de arts.

Niet de therapeut.

Niet de acupuncturist.

Niet het apparaat.

Het lichaam moet het uiteindelijk zelf doen.

Een arts kan een gebroken been zetten.

Een wond kan worden gehecht.

Een medicijn kan een biologisch proces beïnvloeden.

Een therapeut kan een lichaam of zenuwstelsel prikkelen.

Een biofeedbacksysteem kan feedback geven.

Maar uiteindelijk is het organisme zelf degene die reageert.

De behandeling is een prikkel.
De reactie komt van het systeem.

Dat is een heel andere manier van kijken naar “genezen”.


Verknipt kijken

Misschien is dát wel onze grootste denkfout.

We vragen:

“Wat is er kapot?”

Terwijl je ook kunt vragen:

“Wat gebeurt er met het geheel?”

We zoeken naar een afwijkende waarde.

Een afwijkend orgaan.

Een afwijkend bloedbeeld.

Een afwijkend signaal.

En natuurlijk zijn die gegevens waardevol.

Maar een mens is meer dan zijn afwijkende waarde.

Een orkest bestaat ook niet uit één viool.

Als de viool vals klinkt, kun je de viool onderzoeken.

Maar misschien ligt het probleem in de dirigent.

Of in de timing.

Of in de akoestiek.

Of in de interactie tussen de instrumenten.

Of misschien speelt iedereen afzonderlijk prachtig — maar niet samen.

Het geheel heeft eigenschappen die je niet ziet wanneer je alleen naar één onderdeel kijkt.


Dus werkt SCIO?

Die vraag wordt vaak veel te groot gemaakt.

“Werkt SCIO tegen dit?”

“Kan SCIO dat genezen?”

“Kan SCIO deze aandoening behandelen?”

Daarmee maak je van een instrument dat werkt met feedback, signalen en respons meteen een soort elektronische dokter.

Dat is niet nodig.

De interessante vraag is veel eenvoudiger:

Kan biofeedback iemand informatie geven over zijn eigen toestand en kan die terugkoppeling bijdragen aan verandering in bijvoorbeeld spanning en ontspanning?

Dát is een veel interessanter gesprek.

Want daarvoor hoef je helemaal niet te beweren dat een apparaat iedere ziekte kan herkennen.

Je hoeft niet te beweren dat iedere frequentie een specifieke aandoening representeert.

Je hoeft geen wonderen te verkopen.

Je hoeft alleen maar te kijken naar wat er gebeurt wanneer je informatie teruggeeft aan een levend systeem en dat systeem daarop reageert.

En juist bij stress en ontspanning wordt dat interessant.


Misschien moeten we stoppen met knippen

Niet stoppen met meten.

Niet stoppen met wetenschap.

Niet stoppen met specialiseren.

Maar stoppen met doen alsof het stukje het geheel is.

Een ECG is waardevol.

Een EEG is waardevol.

Een bloedonderzoek is waardevol.

Een gesprek is waardevol.

Een observatie is waardevol.

Biofeedback kan waardevolle informatie en feedback geven.

Maar geen van deze dingen is de mens.

Het zijn vensters.

En achter al die vensters staat dezelfde olifant.

Eén organisme.
Eén systeem.
Ontelbare interacties.

Misschien is de vraag daarom niet:

“Wie heeft gelijk?”

Maar:

“Wat gebeurt er als we eindelijk ophouden de olifant voor een verzameling losse onderdelen aan te zien?”

Want misschien is het probleem niet dat we te weinig weten.

Misschien zijn we gewoon een beetje… verknipt gaan kijken.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *